Henricus Cornelis (Harry) Corver 

(1924-1945)

Harry was kantoorbediende.

Zijn broer Ad Corver vertelt het volgende over hem:

Tijdens de periode dat mijn vader gijzelaar was, kwam er nog een zorg bij.

Eén van mijn broers, Harry, moest zich in oktober 1942 van de Duitse autoriteiten melden op het Centraal Station in Amsterdam om vandaar op transport te worden gesteld naar Kaldenkirche. Van onderduiken kon geen sprake zijn, aangezien dan ongetwijfeld represaille-maatregelen tegen mijn vader zouden worden genomen.

Hij werd tewerkgesteld in een fabriek in Düsseldorf. Die fabriek, een onderdeel van de oorlogsindustrie, werd regelmatig vanuit de lucht bestookt door geallieerde vliegtuigen. Om die reden besloot Harry om samen met een andere Amsterdammer te vluchten en via Zwitserland de vrijheid tegemoet te gaan en zich aan te sluiten bij de geallieerde troepen.

Dat pakte echter heel anders uit. In de strook tussen Duitsland en Zwitserland werden ze door de Duitse grenspolitie aangehouden en naar een gevangenis in Kaisheim gebracht. Ze werden beiden veroordeeld tot twee jaar tuchtstraf.

Pas in juli 1945 kregen we het bericht dat Harry op 16 februari 1945, dus op zijn 21e verjaardag, in die gevangenis is overleden.                     

Antonius Marinus (Antoon) Jansen

(1923-1944)

Antoon werd geboren in ‘s-Gravenhage. Het gezin verhuisde naar Amsterdam en kwam te wonen op Postjeskade 21’.

Hij kwam uit een gezin van 10 kinderen. Ze gingen naar de Augustinus-, Tarcisius-, Balboa- en Monicascholen. Het gezin was nogal bekend in de parochie: vader was hulpkoster, jongens op het koor en  meisjes bruidjes. 

Kruisvaart, de Graal en verkennerij.

Hij was slotenmaker van beroep. Begin 1943 werd hij opgeroepen voor dwangarbeid in Duitsland.

Onderduiken was geen kans op.

Antoon werd tewerkgesteld in Metallwerke Holleischen (in het huidige Tsjechië) waar munitie en vliegtuigafweergeschut werd gemaakt. Op 3 maart 1944 verongelukte hij daar op 20-jarige leeftijd.

Bron:  Jan Jansen, broer, woonachtig in Canada

Gerard de Koning

(1899-1945)

Gerard woonde met zijn echtgenote, zoon en dochter in de Van Rensselaerstraat in Amsterdam. Hij had een winkel van snoepgoed en surrogaatartikelen. Nadat hij deze winkel had verkocht werd hij eigenaar van een koffiehuis en daarna nachtwaker bij de Amsterdamsche Nachtveiligheidsdienst. 

In de loop van 1943 zocht De Koning voortdurend contact met illegale organisaties. Hij gaf zelfstandig hulp aan onderduikers, later voor de Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers. In augustus 1944 werd hij lid van een KP, die een maand later als de gevechtsgroep Admiraal deel ging uitmaken van de Binnenlandse Strijdkrachten in Amsterdam West. 

Gerard stond bekend als doortastend en nergens voor terugdeinzend. Hij was belast met het liquideren van voor het verzet gevaarlijke personen, onder wie een SS’er op het Columbusplein. 

Op 6 maart 1945 werd hij, samen met zijn bij hem ondergedoken neef Andries de Koning, gearresteerd, overgebracht naar het Huis van Bewaring a/d Weteringsschans en op 31 maart aan de Amsteldijk in Amsterdam, wegens represaille voor de aanslag op een Duits transport, gefusilleerd.

 

Andreas Johannes Balvers

(1892-1944)

Andreas was vader van 5 kinderen. Hij woonde in de Van Walbeeckstraat 59. Zijn beroep was: Bureauchef bij het Bevolkingsregister Amsterdam.

Andreas verrichtte illegale werkzaamheden met gebruik van het Bevolkingsregister: vervalsing en verduistering van persoonsbewijzen ten behoeve van ondergedoken joden en andere personen. Dit deed hij uit vaderlandsliefde en plichtsbesef. Hij was een stille werker, maar in zijn uitlatingen fel anti-Duits.

Hij werd verraden en opgepakt op 19 juli 1944 en naar het Huis van Bewaring in Amsterdam gebracht. Hij werd doodgeschoten door een vuurpeloton in Vught op 4 augustus 1944. Hij was 51 jaar oud.

Aan Andreas is in 2017 postuum de Yad Vashem-onderscheiding uitgereikt.

Johannes (Johan) van Wolferen

(1916-1940)

 

Johan woonde in de Stuyvesantstraat. Hij was sergeant bij de Luchtmacht.

De batterijstelling waar hij werkte, werd door drie vliegtuigen aangevallen. Johan bevond zich buiten het stellinggebied en werd door een bomscherf in zijn rug gedood. Hij was 24 jaar.

Johannes David Kenter

(1923-1943)

Johannes woonde in de Crynssenstraat 18-I en was bankwerker van beroep.

Op 11 november 1941 is hij vanuit kamp Amersfoort aangekomen in Wittenberge. Dit was een buitenkamp van Neuengamme en bevond zich op het terrein van de Kurmärkische Zellwolle und Zellulose AG, een kunstzijde en cellulose fabriek. Hij stierf te Neuengamme, 19 jaar oud.

Hij is begraven op Ereveld Loenen.

Cornelis Krom

(1921-1943)

Cornelis werd geboren in Amsterdam. Hij was lasser van beroep. In 1942 trouwde hij en hij kreeg een zoon. In 1943 overleed hij te Frankfurt am Main, Duitsland.

Hij is begraven op Nationaal Ereveld Loenen.

Bernardus Josef Walters

(1920-1944)

Bernardus Josef Walters was broodbakker van beroep.  Hij is overleden te Braunschweig in 1944.

Hij is begraven op Nationaal Ereveld Loenen.

Wilhelmus Antonius Fredericus (Wim) van ’t Hof

(1923-1944)

Wim was boekhouder van beroep. Hij woonde nog thuis, op de Hoofdweg 114-I.

Toen hij werd opgeroepen voor tewerkstelling in Duitsland is hij met zijn broer Richard thuis ondergedoken. Eind juni 1944 werden ze gearresteerd en overgebracht naar Amsersfoort. In september werd hij gedeporteerd naar concentratiekamp Neuengamme in Duitsland. Ze werden tewerkgesteld in Husum-Schwesing, een buitenkamp van Neuengamme.

Wim bezweek aan de erbarmelijke omstandigheden waaronder gewerkt moest worden. Hij overleed aan ziekte op 30 november 1944. Hij is 21 jaar geworden.

Op 10 augustus 1960 zijn de stoffelijke resten van Wim en zijn broer Richard herbegraven op het Nationaal Ereveld Loenen op de Veluwe.

Richardus Hermanus Gerardus (Richard) van ’t Hof

(1920-1944)

Richard was kantoorbediende en woonde nog thuis op het adres Hoofdweg 114-I in Amsterdam. 

Toen hij en zijn broer Wim werden opgeroepen voor tewerkstelling in Duitsland verkozen ze thuis onder te duiken. Eind juni 1944 werden ze gearresteerd en overgebracht naar kamp Amersfoort. In september werden ze gedeporteerd naar concentratiekamp Neuengamme in Duitsland. Ze werden tewerkgesteld in buitenkamp Husum-Schwesing.

Richard en zijn broer moesten werken onder erbarmelijke omstandigheden en kregen slecht te eten. Er waren geen medische voorzieningen. Richard is uiteindelijk overleden aan een bloedvergiftiging op 9 december 1944.

Op 10 augustus 1960 zijn de stoffelijke resten van Wim en zijn broer Richard herbegraven op het Nationaal Ereveld Loenen op de Veluwe.

Albert Hollermann

(1920-1944)

Albert was geboren in Amsterdam. Hij was van beroep marechaussee en gestationeerd in het Brabantse Wouw.

In Wouw zat hij in het verzet en deed spionagewerk voor de Plaatselijke Commandant van de O.D.

Op 14 december 1944, anderhalve maand na de bevrijding van Wouw, probeerde hij met plaatsgenoot en BS’er Gerardus de Wit een aantal landmijnen onschadelijk te maken aan de Boerenweg te Heerle. De mijnen kwamen onbedoeld tot ontploffing. Albert en Gerardus samen met landbouwerszoon Antonius Segers waren op slag dood. Albert is 24 jaar geworden.

Hij rust op de gemeentelijke begraafplaats in Wouw.

Theodorus Gerardus Joseph (Theo) Florack

(1921-1945)

Theo was huisschilder van beroep. Hij woonde op de Postjesweg 81-I.

In september 1942 werd hij tewerkgesteld in Rostock, Duitsland. Hij overleed in Amsterdam, in januari 1945.

 

George Lodewijk Johan Ottens

(1920-1945)

George woonde op de Marco Polostraat 19 hs. Hij was kantoorbediende.

Op 1 april 1943 vertrok zijn transport naar Duitsland waar hij tewerkgesteld werd. Doel van de reis was Borsig Lokomotivwerke GmbH te Hennigsdorf, Osthavilland. Hij overleed in maart 1945 op 24-jarige leeftijd in Berlijn.

Hij is begraven op Nationaal Ereveld Loenen.

Bernhard Herbers

(1923-1945)

Bernhard woonde op de Van Spilbergenstraat, op 64-II. Hij was een loopkracht.

Hij werd tewerkgesteld in Duitsland en vertrok augustus 1942 naar Dessau, naar Junkers Flugzeug- und Motorenwerke AG.

Op 3 april 1945 overleed Bernhard in Wenen-Münchendorf.

Zijn naam staat vermeld op een gedenksteen op het Nederlands ereveld in Salzburg (deelstaat Salzburg). Hij is een van de slachtoffers in Oostenrijk en Tsjechoslowakije die niet hier konden worden begraven.